P E R S B E R I C H T

Beschikbare loonruimte – Sociale partners moeten gezamenlijk in gesprek met politiek

Den Haag, 24 januari 2020

BVOK stelt dat het niet mogelijk is om tot een goed arbeidvoorwaardenpakket te komen in de nieuwe cao. Het door de regering gecreëerde economisch kader maakt dat onmogelijk.

Al geruime tijd onderhandelen werkgevers- en werknemersorganisaties in de kinderopvang over een nieuwe CAO. Met name onderhandelingspunten in de periferie van het te sluiten akkoord bereiken de buitenwereld.

Er wordt in de sector veel gesproken over ‘kwaliteit’. Dat is uiteraard belangrijk. Het gaat om kinderen. Echter, de kinderopvangsector kan zich niet aan de bedrijfseconomisch realiteit onttrekken.

Loononderhandeling dienen in de beginsel plaats te vinden op basis van de beschikbare  loonruimte binnen een sector. De loonruimte is het percentage waarmee de lonen maximaal kunnen stijgen. Het is de som van de arbeidsproductiviteitindex en de prijsindex. Indien wordt gehandeld binnen de loonruimte, dan wordt het exploitatiemodel van een onderneming/ sector niet aangetast.

Bij een stijging van de arbeidsproductiviteit, wanneer met minder arbeid dezelfde dienst kan worden geleverd, kunnen de lonen stijgen. En ook bij prijsstijging kunnen de lonen stijgen. Tel derhalve deze 2 indices bij elkaar op en de loonruimte is bekend.

In het geval van de kinderopvang is de loonruimte nihil. De arbeidsproductiviteit is vanwege de Wet IKK afgenomen, er zijn meer medewerkers nodig voor het leveren van dezelfde dienst. En de prijsstijging bedraagt,  op basis van de indexatie van de kinderopvangtoeslagtabel, slechts 1,89%. In het geval de tarieven meer stijgen dan de index, dan leveren werkende ouders aan koopkracht in. De eenmalige extra verhoging van de kinderopvang toeslagtabel bij de invoering van de Wet IKK is in de praktijk onvoldoende gebleken.

In principe kunnen de salarissen in de kinderopvangsector dus niet omhoog

BVOK: ‘Als werkgevers willen wij natuurlijk ook dat de kinderopvangsector een aantrekkelijke sector is en blijft om in te werken. Wij vinden, net als de werknemersorganisaties, dat er een fatsoenslijk arbeidsvoorwaardenpakket dient te komen. Ik denk dat de sociale partners door de regering in een hele lastige situatie zijn gebracht. Of werkende ouders leveren in aan koopkracht. Of de salarisontwikkeling in de kinderopvangsector blijft achter bij andere sectoren. Kinderdagverblijven krijgen in dat geval te kampen met nog grotere personeelstekorten. Uiteindelijk neemt in beide situaties de toegankelijkheid van de kinderopvangsector af. We moeten als sociale partners het gesprek aangaan met de politiek.  Als BVOK hebben we met onze leden een plan ontwikkeld waarmee in ieder geval de arbeidsproductiviteit deels kan worden verbeterd. Volgende week overhandig ik dit namens onze leden aan mevrouw Maaike van Tuyll, directeur Kinderopvang Ministerie van Sociale zaken.’